“Sinds het publieke domein georganiseerd is als het bedrijfsleven, staat efficiëntie centraal. Het maakt niet meer uit wie de taken uitvoert of hoe dat gebeurt, het gaat alleen nog maar om de handelingen.

Hiervan zijn talloze voorbeelden te noemen. De huisarts krijgt alleen nog maar op basis van diagnosebehandelcombinaties een consult vergoed. Maar een goed gesprek met een patiënt is geen diagnosebehandelcombinatie. De huisarts heeft baat bij het stellen van een diagnose, want anders krijgt hij niet betaald.

In het onderwijs is de focus volledig gericht op het halen van toetsen. Het hele leerproces is hierop ingericht, terwijl de kernwaarde van onderwijs nieuwsgierigheid moet zijn. De huidige manier van werken zorgt ervoor dat je niet alleen de kernwaarde kwijtraakt, maar zorgt er zelfs voor dat men het tegenovergestelde bereikt. Leerlingen stampen de lesstof erin om een toets te halen en de school en het ministerie moedigen dat zelfs aan. De uitvoering wordt steeds verder losgekoppeld van de oorspronkelijke waarden.

Kijk, in de twintigste eeuw hebben we onze industriële samenleving opgebouwd rondom een aantal waarden. Gelijkheid ongeacht iemands afkomst was een waarde of het letteren van iedereen. Op basis van deze waarden hebben we organisaties gebouwd die aan deze waarden uitvoering geven en deze belichamen. De plattelandsschool leerde kinderen, waarvan de ouders analfabeet waren, lezen. Dat is decennia goed gegaan, tot aan de jaren-90 van de vorige eeuw.

Vanaf dat moment keken overheid en publieke instellingen anders tegen hun organisatie en de wereld aan. Door taken volgens vaste, uniforme protocollen en werkwijzen uit te voeren werd het efficiënter en goedkoper. Vervolgens werd de uitvoering nog verder gestroomlijnd, kwamen er grote fusies tussen organisaties en gingen anonieme medewerkers geprotocolleerde beslissingen nemen. Alles wat niet bijdraagt aan de efficiënte van het proces is gesneuveld.

Alles is geordend op de handelingen die nodig zijn om iets zo goedkoop mogelijk uit te voeren. Maar de wereld is de afgelopen jaren in sneltreinvaart veranderd. We leven nu in een netwerksamenleving van mondige burgers met een grote toegang tot informatie. Zo’n samenleving moet horizontaal georganiseerd worden en niet meer zoals vroeger verticaal en hiërarchisch. Alle vaste procedures en vastomlijnde schema’s passen daar niet meer bij. Als de huisarts wel een gesprek zou mogen voeren met een patiënt zonder een diagnose te stellen, dan kan dat voorkomen dat er nodeloos medicijnen worden voorgeschreven. Dat is uiteraard beter voor de patiënt, maar ook goedkoper voor de samenleving. Flexibiliteit kost geld, maar levert dus ook geld op.

Ik ben van mening dat waarden weer opnieuw centraal moeten komen te staan in onze samenleving. In Finland zijn bijvoorbeeld alle vakken in het onderwijs afgeschaft, de nieuwsgierigheid van kinderen is daar het vertrekpunt. In plaats van vakken hebben ze projecten, waarbij kinderen bijvoorbeeld een boot bouwen. Rekenen, tekenen, techniek, natuurkunde, samenwerken en creativiteit: alles komt erin samen.

Publieke organisaties zouden waarden veel dichter bij het primaire proces moeten integreren. Medewerkers zouden continue de vraag moeten stellen: om welke waarden gaat hier ook al weer? En geven we daar nu nog uiting aan? Dit vereist dat medewerkers reflecteren en het gesprek aan gaan met elkaar en met de mensen voor wie je het doet. Managers moeten meer vertrouwen en macht aan de uitvoerders op de werkvloer geven. Op die manier kan er meer flexibiliteit en maatwerk ontstaan. Maar dat betekent ook minder gelijkheid en meer kans op misbruik. Dat is niet erg. Je moet bepalen hoeveel fouten je bereid bent te accepteren.

Neem nou dementerende ouderen. Het gevaar bij hen is dat zij vallen en een heup breken. Dat kan in die omstandigheden overlijden tot gevolg hebben. Onze reflex is om dit bij iedereen te voorkomen en deze mensen daarom op te sluiten. Zo kan er zo min mogelijk misgaan en het is enorm efficiënt. Maar het is voor de levenskwaliteit van dementerenden juist goed wanneer zij buiten komen. De centrale waarde van zorg zou toch menselijkheid moeten zijn. Er is een zorginstelling waar men gesprekken voert met alle bewoners en hun familie en waarbij ze samen bepalen hoeveel vrijheid een bewoner mag hebben en wat de risico’s daarvan zijn. Op die manier krijgt een bewoner zijn waardigheid terug. Maar dat kost in eerste instantie wel geld en het vergt moedige bestuurders. Daar hebben we veel behoefte aan in Nederland.”

Dick Rijken, lector Informatie, Technologie en Samenleving, De Haagse Hogeschool