“Mensen hebben nooit maar één probleem, maar meerdere problemen. Rondom zorg, rondom wonen, rondom inkomen. Toch handelen we als overheid alsof het allemaal aparte problemen zijn, allemaal vanuit een eigen ministerie met een eigen begroting. We redeneren niet vanuit mensen zelf, maar vanuit hoe de overheid is ingericht. Mensen zijn allemaal verschillend en passen niet bij een keurig afgebakende regeling of binnen één ministerie. De overheid zou zich als een goede buurman moeten gedragen. Als je hulp nodig hebt, dan is er ondersteuning. En als het weer goed gaat, dan is de hulp ook niet meer nodig.

In Nederland houden we van het begrip rechtmatigheid. Je krijgt iets als je er recht op hebt en je krijgt niets als je er geen recht op hebt. Dat is allemaal nauwkeurig omschreven in wetten en gemeentelijke verordeningen. Doordat we als overheid sturen vanuit rechtmatigheid stellen we de verkeerde vragen. Toen de overheid moest bezuinigen gingen we keukentafelgesprekken voeren over wat iemand zelf kan. Dat is niet de juiste vraag. Je moet vragen wat iemand nodig heeft om vooruit te komen. Het antwoord is dan nooit: 18 hulpverleners.

Tegelijkertijd weten we twee dingen zeker: veel meer mensen hebben ergens recht op, dan die het nodig hebben. En ook dan waar de regeling voor bedoeld was. Ten tweede weten we niet of al die maatregelen helpen, we hebben echt geen idee. Sterker nog: we kunnen eerder zegen dat ze niet werken. Want als hulp zou helpen, dan zou het eindig zijn. Dat is het niet, dus helpen we mensen kennelijk niet.

De overheid behandelt burgers als klanten. Een burger is geen klant, maar een mens. Een volwassen persoon die je serieus moet nemen. De overheid zegt nu: ik heb dit in de aanbieding, koop dat maar. Juist organisaties als het UWV zouden niet in cliënten moeten denken, maar in mensen, met unieke mogelijkheden en onmogelijkheden. Je gaat uit van standaarden door in cliënten te denken. Bijna niemands probleem past precies binnen zo’n standaard. Dus krijg je te weinig hulp, of te veel of helemaal niet. We zeggen vaak: gelijke monniken, gelijke kappen. Ik ken wel gelijke kappen, maar geen gelijke monniken.

Die angst om mensen verschillend te behandelen komt deels voort uit het wereldbeeld dat je hebt. Sommige mensen vinden dat de overheid er niet is om je te helpen. Je moet die hulp kunnen afdwingen bij de rechter. Hierdoor moet je als overheid nauwkeurig omschrijven waar iemand recht op heeft. Mijn wereldbeeld is de overheid als goede huisvader. Die wil niet zo weinig mogelijk helpen, maar jou juist vooruithelpen om zonder die hulp te kunnen.

Goed opschrijven waar mensen recht op hebben voorkomt ook geen misbruik. Het zorgt er alleen voor dat alles op papier goed klopt, niet dat het in de praktijk deugd. Neem als voorbeeld een jeugdzorginstelling die 100 jongeren helpt in een gemeente. De gemeente krijgt 5% minder van het Rijk en wil een nieuw contract met de instelling om dit door te berekenen. Er zijn dan twee smaken: het tarief van de instelling gaat omlaag of het aantal jongeren dat wordt geholpen. Als het tarief omlaag gaat, dan schroeft de instelling het aantal jongeren op. Als het aantal jongeren omlaag moet, dan gaat de instelling naar de krant omdat jongeren in de knel komen. De gemeente vindt dat natuurlijk niks, dus komt met een lumpsum financiering. De instelling krijgt nu een vast bedrag om tussen de 95 en 105 jongeren te helpen. Die instelling vindt dat best en zorgt vervolgens dat op de eerste dag de instelling vol zit met jongeren die niet zoveel hulp nodig hebben. Alles in dit voorbeeld klopt, alles is rechtmatig keurig geregeld. Maar toch deugd er geen snars van, want je helpt mensen niet hoe ze geholpen moeten worden. Daarom wil ik ook af van aanbestedingen en rechtmatigheidstoetsen en terug naar gesprekken over de vraag hoe je mensen echt helpt.

We zijn veel te veel afgedreven van waar het ooit om ging als overheid. Soms moet je geestelijk behoorlijk lenig zijn om het nog uit te kunnen leggen. Ik sprak laatst een docent en vroeg: waarom geef je toetsen? Zijn antwoord was: om een punt te kunnen geven. Niet om te kunnen analyseren wat een kind wel weet en wat niet en waar de aandachtspunten zitten, maar om een punt te kunnen geven. Daar val je toch van om? Daar kan die docent niks aan doen, wij doen dat als overheid. De enige vraag zou moeten zijn: hoe kun je een kind bieden wat hij nodig heeft? De rest is totaal oninteressant.”

René Peters, Tweede Kamerlid voor het CDA